Voor Hrant Dink, in memoriam

Na vijf jaar zijn er eindelijk een aantal lieden veroordeeld voor de moord op Hrant Dink. Toch zijn veel mensen diep teleurgesteld omdat de vermeende organisatie die de moord gepland en banden met de overheid zou hebben, buiten schot blijft.

Nog als de dag van gisteren staat op mijn netvlies hoe ik, in een andere rechtbank wegduik voor de stompen van een stel schuimbekkende ultra-nationalisten. Ze duwen me in de armen van Hrant Dink, hun werkelijke doel in de wachtzaal, die ze willen bespringen. Een bewaker kan hen tegenhouden en naar het ander eind van de zaal duwen, vanwaar ze hun vuisten schudden. Het is geen straf om in een onhandige omhelzing met Hrant te belanden, want ik ben dol op hem, maar schrikken doen we wel. De rechtszaak die we bijwonen loopt tegen Orhan Pamuk, de latere Nobelprijswinnaar die het heeft bestaan om tegen een Zwitserse krant te verklaren dat er anderhalf miljoen Armeniërs en dertigduizend Koerden gedood zijn op zijn vaderlandse bodem. Dergelijke taboes doorbreken, en dan nog wel tegenover het buitenland, wordt niet op prijs gesteld, zoals Hrant maar al te goed weet.

Ik heb Hrant leren kennen in 1994 tijdens een andere rechtszaak tegen mijn vrienden Ragip en Ayşe Zarakolu. Zij hadden een uitgeverijtje vlakbij de Blauwe Moskee en publiceerden het eerste boek in het Turks over de Armeense kwestie, vertaald uit het Frans. Ragip voelde voor de Armeense zaak sinds zijn moeder hem vertelde hoe zij als kind niet naar buiten mocht en huilend moest aanhoren hoe Armeense buren en vrienden in 1915 werden afgevoerd voor deportatie naar de Syrische woestijn. Ragip en Ayşe publiceerden alles wat controversieel was, of het nou om Armeniers, Koerden, of Grieken ging, puur en alleen omdat ze geloofden in het recht op vrije meningsuiting. Maar omdat de inhoud van de boeken niet strookte met de gesanctioneerde lezing van de geschiedenis, beschouwde de Turkse wet hen als staatsgevaarlijk. Ayşe kreeg de dubieuze eer om de allereerste uitgever te zijn die hiervoor de gevangenis inging. Nu, op het moment van schrijven zitten Ragip en zijn zoon al maanden in voorarrest op verdenking van lidmaatschap van een staatsgevaarlijke organisatie.

Destijds liep Hrant over van verontwaardiging. Hij wilde wat doen. Ik weet dat hij veel tegenwind heeft gekregen, juist vanuit Armeense kring. De strijd tegen de Koerdische PKK woedde in alle hevigheid en de Turkse reflex was om Koerden en Armeniërs op één hoop te gooien: allemaal verraders. Het was wijzer om de kop tussen de schouders te steken en te zwijgen in dit soort tijden. Maar Hrant wilde niet meer zwijgen. De oplopende spanning en alle valse aantijgingen sterkten hem juist in zijn voornemen. Het was tijd dat zijn land eens in de spiegel keek, vond hij, en bovenal dat het erkende dat de Armeniërs hier ook thuishoren, wat er ook gebeurd is in het verleden.

Twee jaar later stond hij trots bij me op de drempel met de eerste uitgave van AGOS, de krant waarvan hij hoofdredacteur was tot zijn dood. De redactie van AGOS gonsde van goede wil. Alle artikelen waren zowel in het Turks als in het Armeens. Ze wilden de ogen openen van beide kanten en gingen bijvoorbeeld over de pesterijen van de overheid tegen Armeniërs in Istanbul -elders in het land wonen er nog nauwelijks. Ze gingen over de zinloze restricties die de scholen van Armeniërs en andere minderheden opgelegd werden, over de constante achterdocht waarmee ze behandeld werden. Of over die plaatsen waar nog slechts leegstaande kerken herinneren aan hun aanwezigheid weleer. Maar ook over boeken, over eten en over Armenië dat na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie eindelijk een echt onafhankelijk land was geworden.

‘Als ik daar toch eens naar toe zou kunnen,’ verzuchtte Hrant vaak wanneer we samen thee dronken. ‘Maar ik krijg almaar geen paspoort.’ Het duurde een tijdje voor hij begreep dat dit een taktiek was van de overheid om lastposten aan het lijntje te houden. Nooit kreeg hij ronduit een weigering te horen, zijn zaak was eeuwig in behandeling. Hij was een van de zachtaardigste mensen die ik kende, maar over deze behandeling wond hij zich echt op. Want hij had het zo goed voor met zijn land.

Na jaren aanhouden kreeg hij eindelijk een paspoort. Maar eigenlijk maakte het reizen hem niet gelukkiger. Want hij werd nu ook geconfronteerd met de radicale opstelling van de Armeense diaspora. De Armeniërs in Amerika, Frankrijk en elders haatten Turkije, ze koesterden en voedden die haat. Ze deden alles om de wereld op te zetten tegen het land dat hen een eeuw geleden uitgespuwd heeft. En haten kon Hrant zijn vaderland niet.

Hrant trok de wereld en zijn eigen land rond om verdraagzaamheid te prediken, begrip voor elkaar. Hij had het druk, druk, druk, zo druk dat ik inmiddels een afspraak moest maken om hem te kunnen zien. Hij kreeg wallen onder zijn ogen en steeds meer dreigbrieven. ‘Ik ben bang, Jessica,’ zei hij één van de laatste keren dat ik hem sprak, even maar, tussen twee interviews in. ‘Ik weet niet of ik dit nog lang kan volhouden.’ Zijn gezicht stond gespannen. Hij had ook zo’n enorme taak op zijn schouders genomen.

Het waren extreem-gezinde lieden die dergelijke emails stuurden. Ze vonden dat er in Turkije alleen plaats is voor Turken en iedereen die zich wat anders wilde noemen was volgens hen een landverrader. Er was een advocaat, een hele enge, gladde figuur, die er zijn levenswerk van maakte om mensen als Hrant aan te klagen onder artikel 301, dat het strafbaar maakte om Türklük, de Turkse identiteit, het wezen van de Turk, te beledigen.
Hrant is nooit dieper gekwetst geweest dan door deze beschuldiging. Maar hij was de eerste die er daadwerkelijk voor veroordeeld werd.

Want dit soort lieden hadden de wet aan hun zijde. En hoe de wettenmakers -die de mond vol hadden van verontwaardiging toen Hrant eenmaal vermoord was – er werkelijk over dachten, bleek wel tijdens een kleine, informele bijeenkomst in Istanbul tussen de buitenlandse pers en Abdullah Gül in 2005. Gül was nog geen president, maar minister van Buitenlandse Zaken en vertelde ons dat de Armeense regering een Turks voorstel had afgewezen om een gezamelijke commissie op te zetten van historici. Die zouden de archieven van Turkije, Armenië, Rusland en Groot-Brittanië moeten bestuderen om nu eens en voor altijd te bepalen wat er precies gebeurd is in 1915. Want volgens de Armeense diaspora was het opzettelijke volkerenmoord, maar Turkije verzet zich hevig tegen die benaming.

‘Zou Turkije niet, los van hoe we het noemen wat er gebeurd is, naar Duits voorbeeld sorry kunnen zeggen tegen de Armeniërs voor al het leed dat hen is aangedaan?’ vroeg ik Gül. Hij keek me verbluft aan. ‘Als handreiking, om eindelijk het verleden bespreekbaar te maken,’ voegde ik eraan toe.
‘Sorry zeggen?’ vroeg hij ongelovig. ‘Zij hebben óns verraden! Zij hebben ons in de rug gestoken! We werden aangevallen door Rusland en zij hebben de vijand geholpen! Armeense militia hebben talloze moslim dorpen uitgemoord. Wie moet er sorry zeggen?’
‘Maar honderdduizenden vrouwen en kinderen zjin ook gedeporteerd,’ zei ik. ‘Die waren toch niet aan het vechten?’
‘De Osmaanse regering heeft het bevel gegeven de burgerbevolking daar weg te halen juist omdat ze midden in de gevechten zaten. Om hen te beschermen. Het was 1915, in een onontwikkeld gebied. Er was geen communicatie, niks. Istanbul wist niet wat er gaande was. Het is heel spijtig dat er zoveel slachtoffers gevallen zijn, maar de meesten zijn omgekomen door ziekte of slechte omstandigheden, niet door opzet.’
‘En hoe zit het dan met alle bezittingen die ze achtergelaten hebben?’ vroeg ik. ‘Hun huizen en boerderijen, die door de locale bevolking ingenomen zijn? Denkt u dat daar ooit over te praten is?’
De minister snoof. ‘Dat soort dingen gebeuren in oorlogen. De geschiedenis is niet terug te draaien.’

Kon dat maar wel, inderdaad.

In de middag van 19 januari 2007 gaat de telefoon. De NOS. ‘Hé, Jessica, we krijgen net een nieuwsflash binnen. Er is iemand doodgeschoten bij jou. Hrant Dink, zegt die naam je iets?’
Mijn tranen verbijtend doe ik telefonisch verslag in de uitzending een half uur later. Die avond sta ik met mijn nagels in mijn handpalm geperst voor de camera op een paar meter afstand van waar hij voorovergevallen is, met zijn lieve gezicht op de stoep, het gat in zijn schoenzool te zien voor iedereen. Hij is laf in de rug geschoten door een jongen uit Trabzon die niet meer van hem wist dan dat hij – volgens een vriend — de Turken beledigd had. Later poseert dit misbaksel met de politiemannen die hem gearresteerd hebben. Ze zetten elkaar op zijn voordeligst voor de Turkse vlag. Op de beeldopname hoor je hoe iemand zegt: ‘zorg dat die tekst over het ondeelbare vaderland goed te zien is.’ In voetbalstations dragen supporters de muts van de moordenaar. En op Youtube verschijnt een liedje met de beelden die een bewakingscamera nam van de moordenaar met een tekst die zich dreigend uitlaat over de ‘Armeense spelletjes’.

Gelukkig zijn er ook honderdduizenden mensen die in zijn begrafenisstoet meelopen met bordjes waarop staat: ‘wij zijn allemaal Armeniërs.’ Premier Erdoğan protesteert daartegen. ‘Het is heel mooi dat zoveel mensen solidariteit voelen met onze medeburgers,’ zegt hij, ‘maar het gaat te ver om jezelf Armeniër te noemen.’

De dag dat hij vermoord wordt, beschrijft Hrant in zijn column in AGOS hoe zijn rechtszaak verlopen is. Hij schrijft over de rapporten die hem vrijpleitten, hoe hij daardoor iedere keer weer gerustgesteld werd. Ook in beroep wil de aanklager hem niet vervolgen. En toch zegt de rechter dat hij schuldig is. Hij is zich er scherp van bewust dat veel mensen hem nu zien als iemand die de Turken opzettelijk op de ziel getrapt heeft. Hij gaat gebogen onder dat stempel, dat hij vies en verkeerd noemt.

‘Wat voor mij de echte bedreiging is en ondraagbaar, is de psychologische marteling die ik op mezelf toepas,’ vervolgt hij.
‘“Wat denken al deze mensen van mij?” is de vraag die aan mijn hersenen knaagt. Helaas ben ik veel bekender dan vroeger en wanneer mensen me een blik toewerpen van “Ha, kijk, is dat die Armeniër niet?” dan voel ik dat sterker dan ooit. En als een reflex begin ik dan mezelf te martelen. Deels komt dat voort uit nieuwsgierigheid, deels uit ongerustheid. Deels uit oplettendheid, deels uit angst.
Ik ben net als een duif.
Net als een duif schieten mijn ogen naar rechts en naar links, naar voor en naar achter. Mijn hoofd is net zo beweeglijk. En zo snel dat het meteen kan draaien.
Dat is pas een prijs.
Wat zei de minister van Buitenlandse Zaken, Abdullah Gül ook al weer? Wat zei de minister van Justitie, Cemil Çiçek? “Mens, dat artikel 301 moet je niet overdrijven. Is er iemand ooit de gevangenis voor ingegaan?”
Alsof de enige prijs gevangenisstraf is.
Weten jullie wel wat voor prijs het is om veroordeeld te zijn tot de schichtigheid van een duif, hé, ministers, weten jullie dat? Hebben jullie ooit een duif gevolgd?’
De column gaat verder met de beschrijving van hoe hij nagedacht heeft over het land verlaten. Maar hij kan het niet over zijn hart verkrijgen.
‘Ja, ik voel me schichtig als een duif,’ besluit hij. ‘Maar ik weet ook dat de mensen in dit land duiven geen kwaad doen.’
Duiven niet, nee.

(Aangepast uit mijn boek Gezichten van Istanbul, Conserve 2008)

Advertisements

I'm curious to hear what you think. Please, leave a comment.

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s